Toespraak herdenking 4 mei

Dodenherdenking Laren, 4 mei 2022

Samen vechten voor vrijheid

Vandaag, 4 mei, herdenken wij alle Nederlanders, burgers en militairen die in ons Koninkrijk,  of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord in oorlogssituaties en bij vredesoperaties, sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Volgens de officiële geschiedschrijving begon de Tweede Wereldoorlog op 1 september 1939 en eindigde op 2 september 1945. Als je dat zo leest, lijkt het alsof de oorlog duidelijk een start en een einde had. Een gebeurtenis met kop en een staart. En als we terugkijken naar de Tweede Wereldoorlog zijn we ook goed in staat om over de oorlog te praten alsof het een abstracte en overzichtelijke gebeurtenis was. 

Maar een oorlog is nooit een overzichtelijke gebeurtenis. 

Een oorlog is chaos. Een chaos van agressie, haat en dood. Een oorlog is een afschuwelijke dikke zwarte mist die ineens over mensen heen rolt, waarin iedereen op de tast handelt en waarvan niemand een idee heeft wanneer hij opklaart.

Wat een oorlog is, zien we nu in Oekraïne. Daar wordt een land vernietigd. Kapotgeschoten en platgebombardeerd. Door een leger dat geleid wordt door President Poetin van Rusland. Die zijn motivatie voor zijn aanvallen baseert op honger naar macht en rechtvaardigt met nepnieuws. 

Er zijn mensen die proberen de acties van Poetin te verdedigen in het licht van de kwetsbare politieke balans tussen oost en west. Ik begrijp daar helemaal niets van. Er is geen enkel argument te vinden om de aanval te verdedigen op een volk, dat alleen maar de ambitie heeft gezamenlijk te bouwen aan een vrij en welvarend land.
En de liefde van de Oekraïners voor hun land gaat diep en de bereidheid om te vechten voor hun land gaat ver. Dat dwingt veel respect af. 

Uit de verhalen die de vluchtelingen uit Oekraine ons vertellen begrijpen we ook weer dat een oorlog vooral een tragedie is van eindeloos veel verwoeste individuele levens. Van mannen, vrouwen en kinderen die allemaal een naam en een verhaal hebben. 

Dat zien we nu ook op onze Brink. Het indrukwekkende tijdelijke monument en de prachtige plankjes op de herinneringsbomen verbeelden de individuele levens van mannen, vrouwen en kinderen die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord. En elk leven verdient het om verteld te worden.

Op twee plankjes staan de namen van Benjamin en Lien van Praag. Benjamin was een jonge diamantslijper toen hij op 6 november 1907 trouwde met pianolerares Lien Hollander. Ze gingen wonen op de Van Woustraat 166-III in Amsterdam. Samen kregen ze een zoon, Bernard. Uit de administratie van de Algemene Nederlandse Diamantwerkers Bond, ook wel de ANDB genoemd, blijkt dat Benjamin de belangen van de briljantsnijders vertegenwoordigde. Hij was een echte vakbondsman, die zijn hele werkzame leven lid bleef van de ANDB.

Het huis van Benjamin en Lien was een centrale plek voor vakbondsactiviteiten en Benjamin werd voor allerlei commissiewerk gevraagd, naast penningmeesterschap van de ANDB. Hij trok nauw op met zijn mede bestuurslid en Eerste Kamerlid Henri Polak. In 1940 verhuisden Lien en Benjamin naar de Lingenskamp 18 in Laren waar veel van zijn zakelijke relaties woonden. 

In februari 1941 moesten alle Joden zich melden bij de gemeente Laren voor een aanmeldingsbewijs, zodat duidelijk werd hoeveel joden er in Laren woonachtig waren. Daar moesten ze ook nog 1 gulden voor betalen. In januari 1943 werden Benjamin en Lien door de bezetter gedwongen naar het jodenghetto in Amsterdam te verhuizen. 

Kees Duurland, de buurjongen van Benjamin en Lien vertelde over hun vetrek het volgende: ‘De familie Van Praag moest naar Amsterdam. Ze hebben toen alle meubels bij ons neergezet. Het hele huis stond vol. Ook voor alle boeken moest een plekje gezocht worden. Mevrouw Van Praag had gezegd dat we alle eerste bladzijdes uit de boeken moesten scheuren, omdat we anders het risico liepen zelf weggevoerd te worden als ze al die joodse boeken zouden vinden. Mijn moeder is er een tijdje mee bezig geweest, maar die zei al gauw: Zet ze maar in de kast, knoppen eraf en tafeltje ervoor. Als er een razzia was ging mijn moeder gewoon voor het tafeltje staan, zodat de Duitsers er omheen moesten lopen. Alles was bij ons, zelfs het geld. Als goede buren hebben we het bewaard. Na de oorlog hebben we het weer aan hun zoon meegegeven.’ 

Maar de familie Duurland hebben Benjamin en Lien niet meer gezien. Zij werden tijdens de laatste grote razzia in juni 1943 op het Transvaalplein verzameld en afgevoerd naar kamp Westerbork. Daarna gingen ze samen op transport en werden ze enkele dagen later vergast in Sobibor. 

Vandaag, 79 jaar later, kunt u de namen van Benjamin en Lien lezen op de beschilderde plankjes die deze weken op de herinneringsbomen hangen, bij  het tijdelijk monument de Brink. 

Ik wil namens alle inwoners mijn dank uitspreken aan de vrijwilligers die zich voor deze twee monumenten hebben ingezet. Daarbij vraag ik dit jaar speciaal aandacht voor de mensen die de plankjes hebben geschilderd. Een enorme klus. 

Deze monumenten symboliseren alle mensen die zijn omgekomen en vermoord. Op de bomen geven wij hen een naam en van steeds meer namen kennen wij het verhaal. Zo betonen wij hen ons respect. En vergeten wij ze niet. 

Wij gaan hen herdenken met een minuut stilte. 

Die minuut stilte is er vandaag ook voor de slachtoffers van de oorlog in Oekraïne. Velen van u helpen mee met de opvang van vluchtelingen en we hebben inmiddels een aanzienlijke gemeenschap van Oekraïners in onze gemeente. 

We hopen en bidden elke dag voor hen dat de oorlog stopt. We weten niet wanneer dat is. Die hoop wordt gevoed door de enorme hoeveelheid mensen die binnen en buiten de Oekraïne elkaars hand vasthouden en meehelpen. En laten we ons daaraan vasthouden. Ook al is er haat en agressie in de wereld, er zijn altijd meer mensen die in vrede samen willen leven. 

Laten we herdenken.